Home
Een dankwoord
Sitemap
Laatste updates
Gastenboek
Curse of diaspora
Wie ik ben
Mijn ouders
Gerelateerden
Tinus Dezentjé
Tinus D. Graven 1
Tinus D. Graven 2
Tinus D. Graven 3
Familie-Voorouders
Surabaya's historie
Cannalaan buaya's
Inleiding KH Peneleh
OVERIGE Kerkhoven.
VOC Leembruggen
Indië en oorlog
Archipel oorlogen
Zieleroerselen
Diverse verhalen
Sadeli en Mina
Kliwon en Lina
Tante Francine
Oom Alex
Kediri
Rembang
Purworejo
Kinderen op school
Een lagere school SD
De Prambanan tempels
Cilacap
Koken in de desa
Leven in de desa
Een desa straatje
Kinderen in de desa
Bakstenen in de desa
Hotel Tambalban
Straatsnoeperijen
Rampok Macan
Honger in 1946
2 Moorden in Indië
Fraudeur Sonneveld
Pasuruan naar Malang
Teakhout of (d)jati.
Verpauperde Indo's
Het hoertje
Zeerovers in Indië
Indo's in Indië
De broers Gentis
Jogja Keraton
Dokter Soetomo
Die goeie ouwe tijd
Jean Demmeni Foto's
Marie E. van Oordt
Aardverschuivingen
Bergenbuurt Malang
Emma van der Pal
Kasbi
Jean Samuel Borgeaud
Moord op v.Zuylen
Arme meneer Born
Drama Dermodjojo
19 maart 1868
VOC en landje pik
"Toontje" Poland
Barisan Madoera
Eindelijk weer thuis
Indisch of "Belanda"
Sukorejo Midden Java
Lawang Sewu / NIS
Het durp Salaman
De desa Cekel
Pak Tani Dawet Hitam
Frank Boon
Marie W. Corbet
Orang kecil
Ken Dedes
Contracten Suriname
Ned.Indisch Voetbal
Een simpel desaleven
Joh.Maria Magd.Oland
A.F.P. Graafland
Johannes Busselaar
Een jeugd in Biak
Albert van Daalen
FOTO ZOEKT FAMILIE
Harry uit Maluku
Dr. van Bijsterveld
Contr. G. Agerbeek
R.M. Noto Soeroto
Orkest Eurasia
Kerontjong Toegoe
't kampung Indootje
Oudheidk. Dienst
F.J. van Uildriks
J.N. van der Palm
Godee Molsbergen
Een KNIL sergeant
Jagen in Indië
VRIJHEIDSLUST B'dung
Jan Dinger te  Batoe
Andy Flores Noya
Werner Kraus Passau
Motorrennen te Java
Java na de Engelsen
Volkeren in Indië
Indo's in den Verre
Externe Indo links


Anderen kregen slaag, schoppen, klappen en wel
x , maar de toeschouwer roept "au, ik ben zielig".

 

 

Tante Francine en wij noemden haar Tante Peransien.

 

Dit verhaal gaat over een oude tante van me, genaamd tante Francine. Wie ze was en hoe ze verder heette weet ik niet, maar ze verdient een plaats in mijn verhalen, want ze was mijn tante Francine.

Ze was gelijk zovelen er waren destijds, beetje verstoteling, arm, niet ontwikkeld, op zijn tijd last van tropenkolder, maar gul, lief, vriendelijk, hartelijk, nooit kwaad en ze had humor;  weliswaar veelal aan de schuine kant. In mijn hele leven tot op heden heb ik nooit iemand anders gekend die haar evenaarde in de eigenschappen die zij toen had. Ze nam het leven zoals het was en zoals zij het kreeg en ze deelde het met ons .....

 

Surabaya kan warm zijn, verschrikkelijk warm. In het droge seizoen werden zelfs wij, kacungs van het eerste uur, straatstruiners als de beste, geheel buiten westen gevloerd door die enorme verschrikkelijke hitte, die ons loom maakte. Zo loom, dat we uitgeteld en uitgestrekt verkoeling zochten op de koele tegels van de vloer. We lagen vaak naast elkaar te niksen en lagen daar en hadden geen puf om zelfs een woord te wisselen. We konden slechts wachten, tot de avond aanbrak. 

Tegen een uur of vier ‘s middags was de ergste hitte over en de volwassenen ontwaakten uit hun siesta en tevens  werden de verkoelende drankjes en zelfgemaakte koekjes te voorschijn getoverd. 

Snel werd een verfrissende douche genomen, schone kleren aangetrokken en we maakten ons op voor de avond......ware het niet, dat er meestal wel een klusje stond te wachten, die ma ons had toebedeeld. Vaak was het klusje: de tuinplanten water geven en de looppaden moesten besproeid worden en hup de sapu (bezem) erover heen. Het sproeien diende om het stof niet op te laten dwarrelen tijdens het vegen. En na dit klusje volgden nog een paar kleine andere klusjes zoals de honden eten geven, de duiven voeren en zo werd het alweer tijd om de avond maaltijd te nuttigen.  Zo verliep meestal de dagelijkse gang van zaken of het nu doordeweeks was of weekend, het maakte niet veel uit, want de zon hield er geen kalender op na......

 

Maar ..... er was ook nog een Tante Francine, die het dagelijkse tafereel bij tijd en wijle doorbrak. 

Tante Francine werd door ons steevast Tante Peransien genoemd en Tante Francine was een (buitenechtelijke ??) zus van opa of oma, daar wil ik van af zijn omdat ik me het niet meer goed voor de geest kan halen, al die familie banden en toestanden in die vroegere tijden. Hoe ze precies van haar achternaam heette, heb ik ook nooit geweten. 

 

Tante Francine was een lief mens, altijd en eeuwig was ze aan het schaterlachen, maar ze was ook een beetje zielig, want Tante Francine mocht geen kontakt hebben met opa of oma en waarom dat zo was heb ik nooit geweten.

Wel wist ik dat ze geen man meer had ( of misschien wel nooit had gehad?), dat ze af en toe de tropenkolder in haar bol had en dat ze verschrikkelijk lata was. Ik weet eigenlijk geen hollandse vertaling voor lata, maar het komt hier op neer, dat als je iemand aan het schrikken maakte, zo’n persoon dan á la minuut allerlei onnavolgbare woorden of zinnen de lucht in slingerde. Je had personen, die nette woorden gebruikten en je had personen, die met de meest schunnige woorden en gezegden er de lucht mee zegenden. Tante Francine was dus er eentje van dat laatste soort en Tante Francine was een superster in het lata-zijn. Tante Francine gebruikte woorden, die zelfs een eerste klas boef het schaamrood naar de kaken kon doen stijgen. Ik zal ze niet herhalen, maar de Amerikaanse vloeken “Bullshit and F Y Mo...r waren slechts van klein onschuldig kaliber bij haar vocabulaire vergeleken.

 

Kortom, als bijna elke volwassene van de siesta genoot en zelfs de straatverkopers in geen velden of wegen te bekennen waren en de becakbestuurders ergens onder een boom een tukkie zaten te doen, haalde Tante Francine het in haar malle hoofd om de hitte te trotseren om ons desondanks met een bezoek te vereren. 

De aanblik van Tante Francine, al aangesjokt in de brandende zon heb ik nooit vergeten. Ze liep via de Jalan Kusuma Bangsa richting Jalan Kacapiring (Gubeng station) en de Jalan Kusuma Bangsa was een lange rechte weg. (Voorheen in Indiës tijden heette die straat de Cannalaan.)

 

Tante Francine was vrij donker van uiterlijk en ze droeg heel graag spierwitte kleding (altijd een jurk), met spierwitte sandalen/soort schoen en een spierwitte hoed op haar kondehoofd, die ze zo vanuit het modieuze Parijs had mee kunnen nemen. Het enige gekleurde aan haar was dan de parasol in de ene hand; in de andere hand haar smerige boodschappen mand, altijd gevuld met koekjes of snoep of andere lekkernijen en lekkend soms aan alle kanten. En soms had Tante Francine zich op haar manier een beetje opgedirkt. Witte bedak (poeder) volop gesmeerd op haar donkere gezicht om de brandende zonnestralen wat te temperen, een stukje rood op de lippen her en der en waren de afgetrapte schoenen met een beetje olie ingesmeerd om het te laten glanzen.

Op één of andere onbekende en duistere guna guna (voodoo) achtige manier wist Tante Francine feilloos wanneer ik ‘s een keer niet op de vloer lag te luilakken en toevallig dan in de schaduw van de manggaboom met mijn vriendjes op het muurtje zat te wachten. Te wachten waarop wisten we zelf niet, maar we waren aan het wachten. En of de duvel ermee speelde, op zulke momenten kwam dan Tante Francine aangesjokt, een beetje waggelend alsof ze zichzelf tegen de verzengende hitte van de straat opdrong en voortduwde.

En ze had ons altijd eerder in het vizier dan dat wij haar zagen en zonder enige dralen en schroom, schraapte ze haar stembanden en met zo’n verschrikkelijke luidruchtige schelle sirene stem riep ze me dan: “Ghaaaaansie, kom tante helpen, hayoo, dese kerandjang (mand) errug soewaar loh.” (Hans kom tante even helpen, want deze mand is erg zwaar).

 

En ik was de klos en te beleefd om m’n biezen te pakken en steunend en zuchtend gooide ik mezelf van het muurtje af om haar tegemoet te lopen en haar te helpen met de mand te dragen. 

Maar ik kreeg altijd wel hulp van mijn vriendjes, want zij waren ook niet gek en wisten donders goed, wat Tante Francine bij zich had in die keranjang. Lekkernijen eerste klas, want één ding kon ze goed en dat was koken en bakken. En de hoofd stelregel werd al heel vroeg bij Indo’s erin gepompt, dat was namelijk eten, eten en nogmaals eten. Al drommend om haar heen en beurtelings haar mand dragend, arriveerden we dan in de tuin en liepen we linea recta naar binnen, onder begeleiding van haar schelle harde stem, alwaar een stuurs kijkende ma ons verwelkomde.

Want Ma was natuurlijk door die schelle stem uit haar middagdutje gewekt en één ding moest je vroeger nooit doen en dat was Ma te vroeg uit haar middagslaapje halen. 

 

Maar goed, het leed was geschied, wij kregen op ons donder omdat we lawaai maakten en Ma en Tante Francine gingen richting keuken, nadat ze wel eerst de mand van ons had afgepakt, want alles moest natuurlijk uitgestald worden op de keukentafel. 

En even later werden wij geroepen en mochten we kiezen uit de lekkernijen, als dank voor onze hulp. Nagasari (banaan in meel in pisangblad gewikkeld en gestoomd), onde onde, pasteitjes, risolles, gebakken tahu met vulling vlees of garnaal, tempe goreng maar dan in een speciale bumbu gemarineerd en weet ik veel wat nog meer ze altijd maakte. Tante Francine zo arm als een kerkrat en toch altijd een mand vol met lekkernijen meenemend op weg naar ons. Misschien stak zij zichzelf wel daarvoor in de schulden, hetgeen doodnormaal was bij zowat een elk gezin in die tijden; levend van de ene dag in de andere. Wij waren haar toevluchtsoord en verder was er niemand, die zich om haar bekommerde. 

 

En wij, wij smerige kacungs (kwajongens)  van de gemeenste soort die er bestond, wij...... wij grepen onze kans om Tante Francine weer eens te testen op haar kundige vorm en het beheersen van de lata kunst.

Als dank maakten wij haar aan het schrikken en met een ratelende bloedgang rolden de schone poetische klanken van vieze woorden uit haar mond, waarop we niet meer bijkwamen van de lachstuipen. We lachten ons krom, niet vanwege Tante Francine, maar vanwege al dat poëtisch moois wat ze te voorschijn toverde. In het Javaans, in het Madurees, in het Nederlands, dat ging moeiteloos in één vloeiende beweging door, met als resultaat, dat we natuurlijk op ons falie kregen van Ma en we de keuken uit werden gejaagd. (Alhoewel ik altijd sterk het vermoeden heb gehad, dat Ma inwendig zich ook altijd bescheurde, maar het vanwege Tante Francine naliet en het op ons af reageerde.) 

 

In de late avond ging tante Francine dan maar weer naar huis, na ons wel natuurlijk wederom een onvergetelijke avond bezorgd te hebben vanwege haar beheersing van de lata kunst uitgevoerd door haar schelle schaterende stem. Een hele avond lang zaten we op het terras en vergastte Tante Francine ons en de hele buurt met haar schelle doordringende stem in plat Indisch Nederlands en meer toe dan af, voorzien van de nodige schunnige schuttingtaal, al dan niet doorspekt met Javaans, Madurees of zelfs een Chinese vloek.

 

Menig passerende straatventer, ongewild getrakteerd op Tante Francine’s woordenschat kon zijn of haar glimlach niet onderdrukken. Af en toe kon zo’n voorbijganger het niet laten om een beantwoordend schuttingwoord ook maar de lucht in te slingeren, tot zeer grote hilariteit van Tante Francine natuurlijk, die prompt antwoord gaf door middel van een nog schunniger schuttingwoord, hetgeen uiteraard weer onze lachspieren stimuleerde. 

 

Soms vroeg mijn ma me om wat eten te brengen bij Tante Francine. Ze woonde vlakbij in een zijgang van de Jalan Ambengan, in een heel piepklein kampunghuisje. Een bale bale bed in een hoek met een matras bedekt met gaten zonder laken en ergens in een verborgen hoekje achterin de tuin een soort van toilet, met een soort stenen platje met een kraan. Waarschijnlijk was de wc een gat in de grond en afgedekt door wat bamboe gedek.(Ik heb er nooit gebruik van gemaakt, alhoewel ik soms nodig moest).

En in de schaduw van een of ander boompje al vrolijk kwetterend in een kooi, haar beo, haar alles, haar liefde. En uiteraard evenaarde de beo Tante Francine in het uiten van schuttingtaal en her en der werd door de buurt dan gewoontegetrouw gierend en brullend van de lach geantwoord.

 

We waren arm en we deelden met elkaar. Mijn vriendjes deelden ook altijd mee en sliepen menig maal zelfs bij ons. We waren Indisch en de oorlog had haar sporen nagelaten. We hadden de kunst van het overleven overgenomen van de lokale mede arme buurtbewoners. 

 

Op een goede dag kwam een buurvrouw van Tante Francine langs bij ons en sprak wat met mijn ma en pa. Ze gingen met zijn drieën weer terug naar de gang aan de Jalan Ambengan. Ik mocht niet mee, maar andere vriendjes deelden ons mede, dat Tante Francine dood was gevonden door de buren in haar piepkleine poppenhuisje in een zijgang van de Jalan Ambengan. 

 

Mijn ma en pa regelden met de buren wat en een dag later ging een stoet de straat uit met voorop een paar buren met het lijk van Tante Francine, gedragen onder de schaduw van een payong en slechts gewikkeld in een wit kleed. Een echte arme Muslim begrafenis, want Tante Francine woonde in de kampung en had het muslim geloof aangenomen. En zo’n laatste reis verging het elke kampungbewoner in die buurten. Ik stond aan de zijkant van de weg met mijn vriendjes en keek ernaar en groette mijn Tante Francine zachtjes en besefte op dat moment niet, dat Tante Francine voorgoed uit mijn leven verdwenen was. Mijn vriendjes en ik, we waren stil. 

Nooit meer hoorde ik nog haar schelle schunnige taal uitbrakende, krijsende stem en nooit meer zag ik een witte sjokkende vrouwenfiguur aankomen in de brandende zon van Surabaya en een payong in de ene en een mand in de andere hand. Nooit een woord van opa en oma gehoord over Tante Francine. Nooit. Ja, ook Indische mensen kunnen wreed zijn........Tante Francine was een mismaakt kind van de rekening, waar zij niets aan kon doen. Laat ik haar, jaren na haar verscheiden, op deze manier eren.

 

Soms, héél soms, meen ik uit de wolken boven me wel eens een ordinaire schaterende lach te horen en meteen afgebroken door zacht beschaafd klinkend engelengefluister. ....Sssjjttt, stilte alsjeblieft... Niet zo luidruchtig.....

En heel zachtjes wordt dan teruggefluisterd.... Maaf, sorry. Ik was even kebacut (vergissing), dacht dat ik nog op dat terras aan de jalan Kacapiring zat......Sooooorry !!!! ...........

.....  En op de tenen wegsluipend verdwijnt dan mijn tante Francine....... om even later weer terug te keren naar de engelen toe met een beschaamde blik op haar gezicht.....

Sorry ja, lupa (vergeten) dese mijn parasol en keranjang (mand), ik ben al zo oud. Willen jullie soms ook een jajan/kue (koekje)? Loh, waar is mijn beo? Oh daar is hij! Kasihan, bijna ben ik hem ook vergeten.....

................... waarop aansluitend, verstoorde engelen hoofdschuddend haar genadig toestemming verlenen....en tante Francine al sloffend sret srot er weer vandoor gaat om eens elders in het hemelse rijk een paar lata grollen uit te kramen......

Mijn tante Francine, ze heeft inderdaad de hemel verdiend na een hels leven op deze aarde.

Verstoten door de Javaanse familie van moeders kant en door de Indische familie van vaders kant, op ons na, haar heil en toevluchtsoord verstrekkend destijds. Zal ik haar ooit nog eens tegenkomen als het mijn tijd is? Zal ze mij opwachten met haar zalige koekjes en zal ze me weer aan het lachen maken met haar lata- gedoe? Ik denk het wel, want tante Francine is immers onsterfelijk geworden, zowel op aarde als in het hiernamaals.

 


 

Ik heb nog getracht via almanakken en dergelijke iets meer te weten te komen over tante Francine, doch het was en blijft een verloren zaak.

Ze blijft onvindbaar en diegenen die het geweten zouden kunnen hebben, zijn nu bij tante Francine ergens boven de wolken en lachen zich een bult, maar wel gesmoord, om de lata grollen van tante Francine........ voor zover zij op hun beurt natuurlijk ook niet door de engelen terecht worden gewezen.

 

 

Top

Copyrights imexbo.nl , imexbo.org , imexbo.eu | Why do you visit this website if you can't read.....